Leesrooster of luie stoel?

Vanmorgen las ik het artikel van Job de Haan waarin hij het succes van initiatieven als Preek van de Leek probeert de duiden. Naast de punten die hij benoemt (o.a. taalgebruik) is er nog een ander punt van verschil tussen professionele voorgangers en lekepredikers: het vertrekpunt van de preek.
Bij de Preek van de Leek en andere gelijksoortige initiatieven is dat een bepaalde maatschappelijke vraag, een thema of een tekst waarmee de spreker affiniteit heeft. Daarbij wordt vervolgens een illustratieve of spiegelende bijbeltekst gezocht die, mits goed geëxegetiseerd, zelf weer een nieuw licht werpt op het betreffende thema.
Maar het gros van de voorgangers in de PKN gebruikt het leesrooster als vertrekpunt. Er staat een tamelijk willekeurige tekst centraal en dan ziet de voorganger wel waar hij/zij uiteindelijk bij uitkomt. Dat ontdoet de preek bij voorbaat al van enige ‘urgentie’.
Al ben ik me bewust van alle valkuilen die thematisch preken met zich meebrengt (krenten uit de pap, stokpaardjes, vermijding van lastige teksten enz) wegen de voordelen zwaarder: als je ‘wat in de lucht hangt’ als vertrekpunt neemt voor je preek ben je in één keer een hele stap verder. Je preek heeft bij voorbaat al relevantie voor het merendeel van je gehoor. Vervolgens is er in de preek alle ruimte om te zien hoe de bijbel een eigen, vaak verrassend kritisch licht, op deze zaken werpt.
Mijn voorstel aan professionele predikers is dan ook: leg al die leesroosters eens een jaar terzijde, ga op dinsdag of woensdag in je luie stoel zitten en bedenk of voel al mijmerend wat op dit moment van belang is. Daarbij kan alles een leidraad zijn. De actualiteit, het pastoraat, een lied, film of boek, je eigen stemming, wat dan ook. Dat wordt je startpunt. Daarna komt de rest. Geloof me: er zal niet alleen een juk van je eigen schouders vallen. 
Advertenties

Wie?

Er was een man, een rijke man,
zo één die wel wat missen kan,
die op een avond, na zijn werk,
dacht: kom, ik geef iets aan de kerk.
Maar deze keer geen zak met poen,
ik kan beter iets gaan dóén.
Dus bracht hij ´s avonds op de fiets
het blaadje rond, dat kostte niets.

Er was een vrouw, een arme vrouw,
zo één de hele dag in touw,
die op een avond, na haar werk,
dacht: kom, ik doe iets voor de kerk.
Maar geen klusjes deze keer
aan centen heeft de kerk veel méér.
Dus legde ze wat geld opzij
en nam die avond lekker vrij.

Wat ík nu graag eens weten zou:
wie van beiden heeft er nou
het meest gegeven volgens jou?
Die rijke man of arme vrouw?

Bij Marcus 12: 41 – 44

Tekst: Christien Crouwel
Gepubliceerd: oecumenisch maandblad Open Deurseptember 2009