De improvisatie-kerk

lego-kerkLaatst las ik een term die ik nog niet kende: improvisatie-kerk. Ik zet er voor het leesgemak een streepje tussen, want een mens kan wel eens moe worden van lange nieuwe woorden. Die improvisatie-kerk werd afgezet tegen de institutie-kerk (idem). Institutie-kerken, zo stond er, beantwoorden nog steeds aan het profiel van ‘grote verhalen en afgegrensde collectieven’. Kerken dus die varen op een gezamenlijk gevormde en beleefde identiteit zoals we die nog kennen uit de tijd van de verzuiling. Eilandjes van saamhorigheid in een geseculariseerde samenleving, die stand willen houden tegen verbrokkeling en individualisme.

Daar tegenover staat de improvisatie-kerk die aansluit bij de huidige netwerk-samenleving, waarin mensen voor iedere activiteit een apart netwerkje hebben. In de netwerk-samenleving ‘improviseert’ ieder zijn of haar identiteit zelf bij elkaar. Vandaag een spijkerbroek, morgen weer strak in het pak. Op zaterdag een vegetarische couscous-schotel, op zondag spareribs op The Big Green Egg (als u niet weet wat dat is: dat is een nieuw soort barbecue waarop culinair geïmproviseerd kan worden). De ene keer met vrienden naar het Concertgebouw, de andere keer met je kinderen naar Pinkpop. Identiteit staat niet vast, maar verandert mee, zoals een jazz-musicus al improviserend met de muziek meegaat.

Zo gaat het ook in de improvisatie-kerk. “Het gaat om kleine gemeentes, met een lage graad van institutionalisering. Voor zo’n kleine groep zijn er betrekkelijk veel activiteiten, met steeds een ander netwerkje. Daardoor kennen mensen elkaar goed en zien naar elkaar om. Buitenstaanders zijn welkom. Die komen af op de spiritualiteit. Behalve lid kun je ook vriend zijn. De zondagsdienst inspireert doordat vanuit de geloofstraditie gezocht wordt naar verantwoord leven in de improvisatie-samenleving. Geloofsidentiteit en godsbeeld veranderen gelijk op. Er worden alleen ‘kleine verhalen’ verkondigd.”

Toen ik dat las vroeg ik me af of we hier te maken hebben met een profielschets van onze gemeente. Is de PGN zo’n improvisatie-kerk? Velen van ons zeggen inderdaad niet zoveel (meer) op te hebben met de kerk als instituut. We herbergen de meest uiteenlopende kostgangers van Onze Lieve Heer en samen vormen die inderdaad een woud aan informele netwerkjes. Ik ben de tel inmiddels kwijt… Die netwerkjes reiken niettemin met het grootste gemak over de grenzen van de verschillende ‘geloofssmaken’ heen, als men elkaar vindt in de eigen ‘kleine verhalen’. We belijden het omzien naar elkaar, hebben gastvrijheid hoog in het vaandel, koesteren onze veelkleurige identiteit en hebben niet voor niets het kerkgebouw De Regenboog gedoopt.

Zijn we daarmee zo’n improvisatie-kerk? Enerzijds zeker! Anderzijds misschien ook niet. Daarvoor zijn we toch teveel verankerd in die kerk als instituut. Nog niet eens zozeer door een kerkorde (daar kun je desgewenst in je plaatselijk reglement creatief mee omgaan…) maar vooral door de traditie. We komen ergens vandaan en dat zit zogezegd in ons genetisch materiaal. Ons geloof had zich niet zo kunnen vormen als de kerk er niet als institutie-kerk was geweest om dat ‘geloofsmateriaal’ door te geven. Dat te ontkennen is even zinloos als te ontkennen dat je het DNA van je voorouders in je meedraagt.

De vraag voor mij is of je wel een dergelijk scherp onderscheid tussen institutie- en improvisatie-kerken kunt maken. En of het zinvol is. Ik geloof dat het goed is als mensen de vrijheid hebben om zelf hun geloofsweg te vinden. Daar hoort ook een hoge mate aan improvisatie bij, inclusief de ruimte om ‘fouten’ te maken of af te dwalen. Zoals ook een improviserende musicus opeens in een compleet andere toonsoort terecht kan komen. Dat is niet erg, ‘want stukwerk is ons pogen’, zoals mijn lievelings Pinksterlied het zo mooi bezingt (lied 672). Maar het is ook goed als er een instituut is dat sterk genoeg is om deze zoektocht te helpen waarborgen. Inclusief de randvoorwaarden die daaraan gekoppeld zijn. Inclusief dus ook de ‘toonsoorten’ die ons niet direct liggen. Maar meestal lossen die (zich) wel op…

 

Advertenties

Leesrooster of luie stoel?

Vanmorgen las ik het artikel van Job de Haan waarin hij het succes van initiatieven als Preek van de Leek probeert de duiden. Naast de punten die hij benoemt (o.a. taalgebruik) is er nog een ander punt van verschil tussen professionele voorgangers en lekepredikers: het vertrekpunt van de preek.
Bij de Preek van de Leek en andere gelijksoortige initiatieven is dat een bepaalde maatschappelijke vraag, een thema of een tekst waarmee de spreker affiniteit heeft. Daarbij wordt vervolgens een illustratieve of spiegelende bijbeltekst gezocht die, mits goed geëxegetiseerd, zelf weer een nieuw licht werpt op het betreffende thema.
Maar het gros van de voorgangers in de PKN gebruikt het leesrooster als vertrekpunt. Er staat een tamelijk willekeurige tekst centraal en dan ziet de voorganger wel waar hij/zij uiteindelijk bij uitkomt. Dat ontdoet de preek bij voorbaat al van enige ‘urgentie’.
Al ben ik me bewust van alle valkuilen die thematisch preken met zich meebrengt (krenten uit de pap, stokpaardjes, vermijding van lastige teksten enz) wegen de voordelen zwaarder: als je ‘wat in de lucht hangt’ als vertrekpunt neemt voor je preek ben je in één keer een hele stap verder. Je preek heeft bij voorbaat al relevantie voor het merendeel van je gehoor. Vervolgens is er in de preek alle ruimte om te zien hoe de bijbel een eigen, vaak verrassend kritisch licht, op deze zaken werpt.
Mijn voorstel aan professionele predikers is dan ook: leg al die leesroosters eens een jaar terzijde, ga op dinsdag of woensdag in je luie stoel zitten en bedenk of voel al mijmerend wat op dit moment van belang is. Daarbij kan alles een leidraad zijn. De actualiteit, het pastoraat, een lied, film of boek, je eigen stemming, wat dan ook. Dat wordt je startpunt. Daarna komt de rest. Geloof me: er zal niet alleen een juk van je eigen schouders vallen.