Waar woont God?

jeugdgedicht open deur juliaug_400x706_ 201204012015Ons’ Lieve Heer op Solder is een voormalige schuilkerk in de binnenstad van Amsterdam. Toen de katholieken in de Reformatie geen Heilige Missen meer mochten houden, kwamen ze in het geheim samen op de zolder van een huis aan de Oudezijds Voorburgwal om daar samen te vieren.

Ik heb de naam van deze schuilkerk, inmiddels museum, altijd mooi en ook heel beeldend gevonden. Toen ik van de redactie van Open Deur de vraag kreeg een gedichtje te schrijven bij het thema ‘thuis’ en me afvroeg waar, in de ogen van kinderen, God nou eigenlijk thuis zou zijn, moest ik aan deze zolder denken.

 

Ik zou wel willen weten
waar God inmiddels woont
of hij nog altijd in de hemel
op de wolken woont

Of dat hij ergens in een kerk
rond de kansel zweeft
of inmiddels in een veld
bij de lelies leeft

Misschien juist op een vuilnisbelt
waar niemand hem verwacht
of op het industrieterrein
het eindpunt van lijn 8

Maar heeft hij nog geen vaste plek
dan komt-ie maar bij mij
we hebben hier in huis nog wel
een zolderkamer vrij

Eerder verschenen in Oecumenisch Maandblad Open Deur juli/augustus 2012. Illustratie: Willeke Brouwer

 

 

Advertenties

Anno 1764

Pastorie Nuenen - Vincent van GoghGek is dat: Veel mensen kennen mij van de buitenkant. Van heinde en verre komen ze aangereisd om foto’s van me te maken, sommigen met die beroemde afbeelding van mij in hun hand. Dan gaan ze op gepaste afstand, een meter of tien, voor me staan en proberen daarbij dezelfde positie in te nemen als Vincent ooit deed. Schuin van rechts, blijkbaar mijn beste kant, mijn ‘chocoladezijde’.

Soms, als de zon in voor- en najaar een bepaalde stand heeft, kan ik mijn oude grapje maken. Dan laat ik het glas in mijn vensters het licht weerspiegelen zodat de fotografen zelf ook op hun foto komen te staan. Dan geef ik nog minder prijs van mezelf dan normaal. Want zo toegankelijk ben ik niet. Vóór mij staan, als trouwe wachters, drie kastanjebomen. Die maken mijn façade op het noorden nog donkerder. Daarom doet mijn aangezicht wat somber aan.

Glimp
De vrijmoedigsten onder de bezoekers schromen niet toch een poging te wagen iets meer van mij te zien te krijgen. Die komen dan even door het hekje om door de ramen naar binnen te gluren. In de hoop een glimp op te vangen van mijn binnenkant.

Ik heb me al vaak afgevraagd wat ze dan hopen te zien. Misschien niet alleen mijn feitelijke binnenkant. Die laat zich vrij makkelijk beschrijven: Zeven ruime kamers en een grote keuken. Met direct onder mijn dak een reusachtige zolder met hoge dakspanten. Ik ben met strenge symmetrie gebouwd. Een lange hal loopt als een kaarsrechte aorta dwars door mijn midden en verbindt zo voor- en achterdeur. De kamers op de begane grond zijn met hun plafonds van meer dan drie meter hoogte als grote longen. Daarin herberg ik nog wat oude blikvangers, zoals de twee enorme boekenkasten in de voorkamers en de geglazuurde tegels in de schouw van de keuken.

Ziel
Zou het de mensen die met hun hand boven de ogen door mijn ramen naar binnen kijken daarom gaan? Of hopen ze misschien iets anders te ontwaren: Een zweem van de geest van wie hier ooit leefden? In het bijzonder de geest van mijn beroemdste bewoner, Vincent van Gogh? Hij die mij ooit, als eerste, schilderde? Of is het ze om mijzelf te doen?

Er wordt wel eens gesproken over ‘de ziel van een huis’. En zo waar ik hier met u praat: die heb ik! Maar soms vraag ik mij af waar die ziel van mij nu eigenlijk uit bestaat. Is het de optelsom van wat hier binnen mijn muren plaatsvond? Zijn het de sporen die mijn vele bewoners in 250 jaar hebben nagelaten?

U moest eens weten wat ik in die twee-en-een-halve eeuw allemaal heb gehoord en gezien! Natuurlijk, het leeuwendeel van die tijd was ik getuige van wissewasjes en akkefietjes. Het leven van alledag. Het meeste daarvan ben ik vergeten. Maar er zijn ook momenten die mij nog levendig bijstaan. Zoals 5 december 1883, de dag dat Vincent op de drempel stond om weer thuis te komen wonen. Dezelfde drempel waar zijn vader anderhalf jaar later dood neerzakte. Of de dag dat dominee Bart de Ligt, na zijn roemruchte pinksterpreek in 1915, uit Noord-Brabant verbannen werd en mij moest verlaten. Of die keer dat ik, in 1984, bezoek ontving van prinses Juliana. Er werd speciaal voor haar komst nog een nieuw toilet gebouwd. Stel je voor dat de koninklijke hoogheid hoge nood kreeg: dan zou ze gebruik kunnen maken van mijn nieuwe, kleinste kamertje. Het zijn allemaal onuitwisbare momenten, die deel van mijn ziel zijn geworden.

Stille getuige
Maar ook wat de geschiedenisboeken niet haalde, draag ik met mij mee. De zorgen en het plezier, de blijdschap en de rouw, het werk en de ontspanning. Ik denk aan al die dominees die laat op de zaterdagavond zaten te zoeken naar de juiste woorden voor hun preken op zondagmorgen. Net als aan de kunstenaars die in en om mij heen op hun lege vellen papier en witte doeken probeerden iets vast te leggen wat hun oog had getroffen. Hun inspiratie en wanhoop, hun bidden en vloeken, hun ploeteren en voltooien… . Ik was, en ben, hun stillte getuige.

Is dat het, wat mijn bezoekers, turend door de vensters, proberen te ontwaren? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Maar ik vermoed het.

Ik zal nog wel een tijdje blijven bestaan. Ook als u het ondermaanse al lang achter u hebt gelaten, sta ik nog op de plek waar ooit mijn eerste steen werd gelegd. Met het jaar van mijn geboorte dwars op mijn gevel: 1764. Omringd door mijn vensters, als ogen op mijn ziel.


In 2014 verscheen het boek ‘Van Domineeshuis tot Van Goghhuis (1764 – 2014).
250 jaar pastorie Nuenen en haar bewoners.’
Het boek is nog te bestellen op www.pastorieboek.nl

Troost

447-gras-2Ooit maakte Wim Kayzer van de VPRO een legendarische serie interviews met groten op het gebied van muziek, beeldende kunst, wetenschap en literatuur. ‘Van de schoonheid en de troost’ heette deze serie. De vraag die hij hen stelde was eenvoudig: ‘Vertel me wat dit leven de moeite waard maakt.’ Uit de titel van de serie blijkt al dat er een verband bestaat tussen schoonheid en troost. Wat mooi is, kan ons ontroeren en blijkbaar ook troosten. Denk aan het mooiste muziekstuk dat je kent, het fraaiste schilderij: zonder twijfel wordt je hart bewogen. In die bewogenheid schuilt troost, hoe onuitsprekelijk ook.

Zelf kan ik geraakt en getroost worden door poëzie. Een paar woorden die samen beelden oproepen die weer resoneren met herinneringen en gedachten en zo een eigen, kleurrijke wereld vormen. Wonderlijk, dat taal dat kan…

Ik heb gezocht naar een klein voorbeeld daarvan. Het leverde me een mooie ochtend gedichten op en uiteindelijk een concessie: een paar regels uit het gedicht ‘Songs of myself’ van Walt Whitman (1819 – 1892). In dit weergaloze monument van de Amerikaanse poëzie gaat het, zoals de titel al aangeeft, over de schrijver zelf. In 52 strofes, eigenlijk meer spontane filosofische mijmeringen, zet hij zichzelf centraal. Maar tegelijkertijd ook meer dan dat: hij beziet en bezingt de wereld om hem heen, met wie hij zich door en door verbonden voelt. Alles wat over de wereld gaat, gaat ook over hemzelf.

Het begin van de 6e strofe gaat als volgt:

Een kind zei Wat is gras? en wierp het mij met handen vol toe;
Hoe kon ik het kind antwoord geven? Ik weet evenmin als hij wat het is.

Ik denk dat het de vlag moet zijn van mijn aard,
geweven van hoopvol groene stof.
Of de zakdoek van de Heer, een geparfumeerd geschenk,
een souvenir, welbewust neergeworpen,
Met de naam van de eigenaar ergens in de hoeken,
zodat wij het opmerken en zeggen, van Wie?

Uit: Walt Whitman, Song of Myself

Het gaat in deze paar regels om leven van de verwondering. Om met nieuwe en andere ogen de wereld bezien. Dat levert een hoopvol en troostrijk beeld op. De schrijver kijkt mee met een kind naar het grasveldje voor het huis, een weiland of een achtertuin. Hij ziet geen gras, maar een grote groene vlag, kleur van de hoop. Het zou ook de zakdoek kunnen zijn van Onze Lieve Heer, die Hij heeft laten vallen. Geen verfrommelde wit lapje, maar een inmense frisse, groene zakdoek. Met Gods eigen initialen in de hoek.

God is nooit verkouden, Hij kan zijn zakdoek dus gerust aan de wereld uitlenen. Een geparfumeerd geschenk waarop wij kunnen liggen en naar de wolken staren.
Met de ogen van een kind en met de geest van de verbeelding, de Geest die ons met Pinksteren gegeven wordt, kan alles in deze wereld een ander gezicht krijgen. Dat is mooi en hoopvol en daarmee een bron van troost. Als Jezus bij het afscheid van zijn vrienden hen de komst van de Trooster belooft, dan gaat het over deze Geest die alles vernieuwt. Die de woorden van leerlingen op het Pinksterfeest tot vurige taal maakt die direct tot het hart spreekt. Voor de wereld van de ratio misschien ‘dronkemanspraat’, maar voor de wereld van het hart pure poëzie.

Lees verder