Troost

447-gras-2Ooit maakte Wim Kayzer van de VPRO een legendarische serie interviews met groten op het gebied van muziek, beeldende kunst, wetenschap en literatuur. ‘Van de schoonheid en de troost’ heette deze serie. De vraag die hij hen stelde was eenvoudig: ‘Vertel me wat dit leven de moeite waard maakt.’ Uit de titel van de serie blijkt al dat er een verband bestaat tussen schoonheid en troost. Wat mooi is, kan ons ontroeren en blijkbaar ook troosten. Denk aan het mooiste muziekstuk dat je kent, het fraaiste schilderij: zonder twijfel wordt je hart bewogen. In die bewogenheid schuilt troost, hoe onuitsprekelijk ook.

Zelf kan ik geraakt en getroost worden door poëzie. Een paar woorden die samen beelden oproepen die weer resoneren met herinneringen en gedachten en zo een eigen, kleurrijke wereld vormen. Wonderlijk, dat taal dat kan…

Ik heb gezocht naar een klein voorbeeld daarvan. Het leverde me een mooie ochtend gedichten op en uiteindelijk een concessie: een paar regels uit het gedicht ‘Songs of myself’ van Walt Whitman (1819 – 1892). In dit weergaloze monument van de Amerikaanse poëzie gaat het, zoals de titel al aangeeft, over de schrijver zelf. In 52 strofes, eigenlijk meer spontane filosofische mijmeringen, zet hij zichzelf centraal. Maar tegelijkertijd ook meer dan dat: hij beziet en bezingt de wereld om hem heen, met wie hij zich door en door verbonden voelt. Alles wat over de wereld gaat, gaat ook over hemzelf.

Het begin van de 6e strofe gaat als volgt:

Een kind zei Wat is gras? en wierp het mij met handen vol toe;
Hoe kon ik het kind antwoord geven? Ik weet evenmin als hij wat het is.

Ik denk dat het de vlag moet zijn van mijn aard,
geweven van hoopvol groene stof.
Of de zakdoek van de Heer, een geparfumeerd geschenk,
een souvenir, welbewust neergeworpen,
Met de naam van de eigenaar ergens in de hoeken,
zodat wij het opmerken en zeggen, van Wie?

Uit: Walt Whitman, Song of Myself

Het gaat in deze paar regels om leven van de verwondering. Om met nieuwe en andere ogen de wereld bezien. Dat levert een hoopvol en troostrijk beeld op. De schrijver kijkt mee met een kind naar het grasveldje voor het huis, een weiland of een achtertuin. Hij ziet geen gras, maar een grote groene vlag, kleur van de hoop. Het zou ook de zakdoek kunnen zijn van Onze Lieve Heer, die Hij heeft laten vallen. Geen verfrommelde wit lapje, maar een inmense frisse, groene zakdoek. Met Gods eigen initialen in de hoek.

God is nooit verkouden, Hij kan zijn zakdoek dus gerust aan de wereld uitlenen. Een geparfumeerd geschenk waarop wij kunnen liggen en naar de wolken staren.
Met de ogen van een kind en met de geest van de verbeelding, de Geest die ons met Pinksteren gegeven wordt, kan alles in deze wereld een ander gezicht krijgen. Dat is mooi en hoopvol en daarmee een bron van troost. Als Jezus bij het afscheid van zijn vrienden hen de komst van de Trooster belooft, dan gaat het over deze Geest die alles vernieuwt. Die de woorden van leerlingen op het Pinksterfeest tot vurige taal maakt die direct tot het hart spreekt. Voor de wereld van de ratio misschien ‘dronkemanspraat’, maar voor de wereld van het hart pure poëzie.

Lees verder

Advertenties

De kraai en de nachtegaal. Verhaal bij de introductie van het nieuwe liedboek

NachtegaalDe nachtegaal was de beste zanger van het bos. Elke avond zong hij zijn lied in de avondschemering. Dan luisterden de andere dieren vol bewondering naar de hoge trillers, de vernuftige wendingen in de melodie en voelden zij zich ontroerd. Als de nachtegaal zong, dan ging het over verre vertes en oude liefdes en meer dingen die je wel kunt voelen maar slecht kunt benoemen.

Maar op een avond bleef het stil. Je hoorde alleen het suizen van de avondwind in de bomen. Het klonk somber en leeg.

De kraai, al jaren buurman van de nachtegaal en zelf geen geweldige zanger maar daarom niet minder vriendelijk, ging een kijkje nemen. Hij trof de nachtegaal aan in zijn keuken. Daar zat hij, op een krukje, en keek treurig uit het raam.

‘Wat scheelt eraan?’ vroeg buurman kraai. ‘Waarom zingt u vanavond niet?’ De nachtegaal haalde zijn vleugels op. ‘Ach’ zei hij, ‘het is altijd het oude liedje’.

‘Aha’, zei buurman kraai, die het niet helemaal begreep, maar het wel probeerde. Want ‘aha’ is meestal een goed ding om te zeggen.

‘Dag in dag uit zing ik mijn lied’ zei de nachtegaal, ‘maar waarom eigenlijk? Gaat de maan er mooier van stralen? Gaan de bloemen er mooier van bloeien? Wordt het gras daardoor groener?

‘Tja’, zei de kraai, die geen antwoord wist op al deze vragen, maar dat wel zou willen. Want ‘tja’ is ook vaak een goed ding om te zeggen.

‘Elke dag hetzelfde lied,’ herhaalde de nachtegaal ‘maar beter is de wereld er niet door geworden.’

‘O’, zei buurman kraai, die langzaam maar zeker het gevoel kreeg dat zijn antwoorden uitgeput raakte.

‘Vanavond dacht ik opeens: Waarom zou ik nog zingen?’ ging de nachtegaal verder. ‘En ik had geen antwoord’.

De buurman zweeg. Het was stil in het keukentje van de nachtegaal. Buiten rumoerde de wind. Ergens kraakte een tak.

De kraai dacht na over het oude liedje van de nachtegaal. Hij dacht ook aan zijn eigen schorre stem. Wat was er eigenlijk mis met het lied van de nachtegaal? Hij had er altijd erg van genoten, al kreeg hij er soms wat heimwee van. Maar dat was een prettig soort heimwee.

Net toen het leek of de stilte een derde aanwezige in het keukentje werd, schraapte de kraai zijn schorre keel. ‘Hm’ begon hij. Want zo begint men vaak als men wat belangrijks wil zeggen. ‘Misschien is het tijd voor een nieuw lied?’

‘Een nieuw lied?’ vroeg de nachtegaal, terwijl hij zijn hoofd naar de kraai draaide. ‘Ja’ zei de kraai. ‘Een nieuw lied. Niet omdat het oude niet goed zou zijn. Maar voor de verandering.’

De nachtegaal zweeg. Buurman kraai, die het terechte gevoel had dat hij genoeg gezegd had, zweeg ook weer. Maar nu voelde de stilte anders.

De wind ging net liggen toen de nachtegaal opeens zijn snavel opende. Er kwam een hele serie onverwachte tonen uit. Ze buitelden over elkaar, omhoog en omlaag, naar links en naar rechts. Het leek over prinsen en prinsessen te gaan. En over diepe wateren. Een heel ander lied dan voorheen. Maar ergens ook hetzelfde.

‘Mooi’ zei de kraai met schorre stem. Maar de nachtegaal hoorde hem niet. Hij zong een nieuw lied.

De weg van de hoop

Een jaar geleden stierf Václav Havel (5 oktober 1936 – 18 december 2011). Eén van zijn meest bekende teksten was die over de hoop.

De weg van de hoop
Diep in onszelf dragen we hoop:
als dat niet het geval is,
is er geen hoop.Hoop is de kwaliteit van de ziel
en hangt af
van wat er in de wereld gebeurt.

Hoop is niet te voorspellen of vooruit te zien.
Het is een gerichtheid van de geest,
een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon verankerd.

Hoop
in deze diepe krachtige betekenis
is niet het zelfde als vreugde
omdat alles goed gaat
of bereidheid je in te zetten
voor wat succes heeft.

Hoop is ergens voor werken
omdat het goed is,
niet alleen omdat het kans van slagen heeft.

Hoop is niet hetzelfde als optimisme
evenmin overtuiging
dat iets goed zal aflopen.
Wel de zekerheid dat iets zinvol is
afgezien van de afloop,
het resultaat.