Waar woont God?

jeugdgedicht open deur juliaug_400x706_ 201204012015Ons’ Lieve Heer op Solder is een voormalige schuilkerk in de binnenstad van Amsterdam. Toen de katholieken in de Reformatie geen Heilige Missen meer mochten houden, kwamen ze in het geheim samen op de zolder van een huis aan de Oudezijds Voorburgwal om daar samen te vieren.

Ik heb de naam van deze schuilkerk, inmiddels museum, altijd mooi en ook heel beeldend gevonden. Toen ik van de redactie van Open Deur de vraag kreeg een gedichtje te schrijven bij het thema ‘thuis’ en me afvroeg waar, in de ogen van kinderen, God nou eigenlijk thuis zou zijn, moest ik aan deze zolder denken.

 

Ik zou wel willen weten
waar God inmiddels woont
of hij nog altijd in de hemel
op de wolken woont

Of dat hij ergens in een kerk
rond de kansel zweeft
of inmiddels in een veld
bij de lelies leeft

Misschien juist op een vuilnisbelt
waar niemand hem verwacht
of op het industrieterrein
het eindpunt van lijn 8

Maar heeft hij nog geen vaste plek
dan komt-ie maar bij mij
we hebben hier in huis nog wel
een zolderkamer vrij

Eerder verschenen in Oecumenisch Maandblad Open Deur juli/augustus 2012. Illustratie: Willeke Brouwer

 

 

Advertenties

De improvisatie-kerk

lego-kerkLaatst las ik een term die ik nog niet kende: improvisatie-kerk. Ik zet er voor het leesgemak een streepje tussen, want een mens kan wel eens moe worden van lange nieuwe woorden. Die improvisatie-kerk werd afgezet tegen de institutie-kerk (idem). Institutie-kerken, zo stond er, beantwoorden nog steeds aan het profiel van ‘grote verhalen en afgegrensde collectieven’. Kerken dus die varen op een gezamenlijk gevormde en beleefde identiteit zoals we die nog kennen uit de tijd van de verzuiling. Eilandjes van saamhorigheid in een geseculariseerde samenleving, die stand willen houden tegen verbrokkeling en individualisme.

Daar tegenover staat de improvisatie-kerk die aansluit bij de huidige netwerk-samenleving, waarin mensen voor iedere activiteit een apart netwerkje hebben. In de netwerk-samenleving ‘improviseert’ ieder zijn of haar identiteit zelf bij elkaar. Vandaag een spijkerbroek, morgen weer strak in het pak. Op zaterdag een vegetarische couscous-schotel, op zondag spareribs op The Big Green Egg (als u niet weet wat dat is: dat is een nieuw soort barbecue waarop culinair geïmproviseerd kan worden). De ene keer met vrienden naar het Concertgebouw, de andere keer met je kinderen naar Pinkpop. Identiteit staat niet vast, maar verandert mee, zoals een jazz-musicus al improviserend met de muziek meegaat.

Zo gaat het ook in de improvisatie-kerk. “Het gaat om kleine gemeentes, met een lage graad van institutionalisering. Voor zo’n kleine groep zijn er betrekkelijk veel activiteiten, met steeds een ander netwerkje. Daardoor kennen mensen elkaar goed en zien naar elkaar om. Buitenstaanders zijn welkom. Die komen af op de spiritualiteit. Behalve lid kun je ook vriend zijn. De zondagsdienst inspireert doordat vanuit de geloofstraditie gezocht wordt naar verantwoord leven in de improvisatie-samenleving. Geloofsidentiteit en godsbeeld veranderen gelijk op. Er worden alleen ‘kleine verhalen’ verkondigd.”

Toen ik dat las vroeg ik me af of we hier te maken hebben met een profielschets van onze gemeente. Is de PGN zo’n improvisatie-kerk? Velen van ons zeggen inderdaad niet zoveel (meer) op te hebben met de kerk als instituut. We herbergen de meest uiteenlopende kostgangers van Onze Lieve Heer en samen vormen die inderdaad een woud aan informele netwerkjes. Ik ben de tel inmiddels kwijt… Die netwerkjes reiken niettemin met het grootste gemak over de grenzen van de verschillende ‘geloofssmaken’ heen, als men elkaar vindt in de eigen ‘kleine verhalen’. We belijden het omzien naar elkaar, hebben gastvrijheid hoog in het vaandel, koesteren onze veelkleurige identiteit en hebben niet voor niets het kerkgebouw De Regenboog gedoopt.

Zijn we daarmee zo’n improvisatie-kerk? Enerzijds zeker! Anderzijds misschien ook niet. Daarvoor zijn we toch teveel verankerd in die kerk als instituut. Nog niet eens zozeer door een kerkorde (daar kun je desgewenst in je plaatselijk reglement creatief mee omgaan…) maar vooral door de traditie. We komen ergens vandaan en dat zit zogezegd in ons genetisch materiaal. Ons geloof had zich niet zo kunnen vormen als de kerk er niet als institutie-kerk was geweest om dat ‘geloofsmateriaal’ door te geven. Dat te ontkennen is even zinloos als te ontkennen dat je het DNA van je voorouders in je meedraagt.

De vraag voor mij is of je wel een dergelijk scherp onderscheid tussen institutie- en improvisatie-kerken kunt maken. En of het zinvol is. Ik geloof dat het goed is als mensen de vrijheid hebben om zelf hun geloofsweg te vinden. Daar hoort ook een hoge mate aan improvisatie bij, inclusief de ruimte om ‘fouten’ te maken of af te dwalen. Zoals ook een improviserende musicus opeens in een compleet andere toonsoort terecht kan komen. Dat is niet erg, ‘want stukwerk is ons pogen’, zoals mijn lievelings Pinksterlied het zo mooi bezingt (lied 672). Maar het is ook goed als er een instituut is dat sterk genoeg is om deze zoektocht te helpen waarborgen. Inclusief de randvoorwaarden die daaraan gekoppeld zijn. Inclusief dus ook de ‘toonsoorten’ die ons niet direct liggen. Maar meestal lossen die (zich) wel op…

 

Anno 1764

Pastorie Nuenen - Vincent van GoghGek is dat: Veel mensen kennen mij van de buitenkant. Van heinde en verre komen ze aangereisd om foto’s van me te maken, sommigen met die beroemde afbeelding van mij in hun hand. Dan gaan ze op gepaste afstand, een meter of tien, voor me staan en proberen daarbij dezelfde positie in te nemen als Vincent ooit deed. Schuin van rechts, blijkbaar mijn beste kant, mijn ‘chocoladezijde’.

Soms, als de zon in voor- en najaar een bepaalde stand heeft, kan ik mijn oude grapje maken. Dan laat ik het glas in mijn vensters het licht weerspiegelen zodat de fotografen zelf ook op hun foto komen te staan. Dan geef ik nog minder prijs van mezelf dan normaal. Want zo toegankelijk ben ik niet. Vóór mij staan, als trouwe wachters, drie kastanjebomen. Die maken mijn façade op het noorden nog donkerder. Daarom doet mijn aangezicht wat somber aan.

Glimp
De vrijmoedigsten onder de bezoekers schromen niet toch een poging te wagen iets meer van mij te zien te krijgen. Die komen dan even door het hekje om door de ramen naar binnen te gluren. In de hoop een glimp op te vangen van mijn binnenkant.

Ik heb me al vaak afgevraagd wat ze dan hopen te zien. Misschien niet alleen mijn feitelijke binnenkant. Die laat zich vrij makkelijk beschrijven: Zeven ruime kamers en een grote keuken. Met direct onder mijn dak een reusachtige zolder met hoge dakspanten. Ik ben met strenge symmetrie gebouwd. Een lange hal loopt als een kaarsrechte aorta dwars door mijn midden en verbindt zo voor- en achterdeur. De kamers op de begane grond zijn met hun plafonds van meer dan drie meter hoogte als grote longen. Daarin herberg ik nog wat oude blikvangers, zoals de twee enorme boekenkasten in de voorkamers en de geglazuurde tegels in de schouw van de keuken.

Ziel
Zou het de mensen die met hun hand boven de ogen door mijn ramen naar binnen kijken daarom gaan? Of hopen ze misschien iets anders te ontwaren: Een zweem van de geest van wie hier ooit leefden? In het bijzonder de geest van mijn beroemdste bewoner, Vincent van Gogh? Hij die mij ooit, als eerste, schilderde? Of is het ze om mijzelf te doen?

Er wordt wel eens gesproken over ‘de ziel van een huis’. En zo waar ik hier met u praat: die heb ik! Maar soms vraag ik mij af waar die ziel van mij nu eigenlijk uit bestaat. Is het de optelsom van wat hier binnen mijn muren plaatsvond? Zijn het de sporen die mijn vele bewoners in 250 jaar hebben nagelaten?

U moest eens weten wat ik in die twee-en-een-halve eeuw allemaal heb gehoord en gezien! Natuurlijk, het leeuwendeel van die tijd was ik getuige van wissewasjes en akkefietjes. Het leven van alledag. Het meeste daarvan ben ik vergeten. Maar er zijn ook momenten die mij nog levendig bijstaan. Zoals 5 december 1883, de dag dat Vincent op de drempel stond om weer thuis te komen wonen. Dezelfde drempel waar zijn vader anderhalf jaar later dood neerzakte. Of de dag dat dominee Bart de Ligt, na zijn roemruchte pinksterpreek in 1915, uit Noord-Brabant verbannen werd en mij moest verlaten. Of die keer dat ik, in 1984, bezoek ontving van prinses Juliana. Er werd speciaal voor haar komst nog een nieuw toilet gebouwd. Stel je voor dat de koninklijke hoogheid hoge nood kreeg: dan zou ze gebruik kunnen maken van mijn nieuwe, kleinste kamertje. Het zijn allemaal onuitwisbare momenten, die deel van mijn ziel zijn geworden.

Stille getuige
Maar ook wat de geschiedenisboeken niet haalde, draag ik met mij mee. De zorgen en het plezier, de blijdschap en de rouw, het werk en de ontspanning. Ik denk aan al die dominees die laat op de zaterdagavond zaten te zoeken naar de juiste woorden voor hun preken op zondagmorgen. Net als aan de kunstenaars die in en om mij heen op hun lege vellen papier en witte doeken probeerden iets vast te leggen wat hun oog had getroffen. Hun inspiratie en wanhoop, hun bidden en vloeken, hun ploeteren en voltooien… . Ik was, en ben, hun stillte getuige.

Is dat het, wat mijn bezoekers, turend door de vensters, proberen te ontwaren? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen. Maar ik vermoed het.

Ik zal nog wel een tijdje blijven bestaan. Ook als u het ondermaanse al lang achter u hebt gelaten, sta ik nog op de plek waar ooit mijn eerste steen werd gelegd. Met het jaar van mijn geboorte dwars op mijn gevel: 1764. Omringd door mijn vensters, als ogen op mijn ziel.


In 2014 verscheen het boek ‘Van Domineeshuis tot Van Goghhuis (1764 – 2014).
250 jaar pastorie Nuenen en haar bewoners.’
Het boek is nog te bestellen op www.pastorieboek.nl

Troost

447-gras-2Ooit maakte Wim Kayzer van de VPRO een legendarische serie interviews met groten op het gebied van muziek, beeldende kunst, wetenschap en literatuur. ‘Van de schoonheid en de troost’ heette deze serie. De vraag die hij hen stelde was eenvoudig: ‘Vertel me wat dit leven de moeite waard maakt.’ Uit de titel van de serie blijkt al dat er een verband bestaat tussen schoonheid en troost. Wat mooi is, kan ons ontroeren en blijkbaar ook troosten. Denk aan het mooiste muziekstuk dat je kent, het fraaiste schilderij: zonder twijfel wordt je hart bewogen. In die bewogenheid schuilt troost, hoe onuitsprekelijk ook.

Zelf kan ik geraakt en getroost worden door poëzie. Een paar woorden die samen beelden oproepen die weer resoneren met herinneringen en gedachten en zo een eigen, kleurrijke wereld vormen. Wonderlijk, dat taal dat kan…

Ik heb gezocht naar een klein voorbeeld daarvan. Het leverde me een mooie ochtend gedichten op en uiteindelijk een concessie: een paar regels uit het gedicht ‘Songs of myself’ van Walt Whitman (1819 – 1892). In dit weergaloze monument van de Amerikaanse poëzie gaat het, zoals de titel al aangeeft, over de schrijver zelf. In 52 strofes, eigenlijk meer spontane filosofische mijmeringen, zet hij zichzelf centraal. Maar tegelijkertijd ook meer dan dat: hij beziet en bezingt de wereld om hem heen, met wie hij zich door en door verbonden voelt. Alles wat over de wereld gaat, gaat ook over hemzelf.

Het begin van de 6e strofe gaat als volgt:

Een kind zei Wat is gras? en wierp het mij met handen vol toe;
Hoe kon ik het kind antwoord geven? Ik weet evenmin als hij wat het is.

Ik denk dat het de vlag moet zijn van mijn aard,
geweven van hoopvol groene stof.
Of de zakdoek van de Heer, een geparfumeerd geschenk,
een souvenir, welbewust neergeworpen,
Met de naam van de eigenaar ergens in de hoeken,
zodat wij het opmerken en zeggen, van Wie?

Uit: Walt Whitman, Song of Myself

Het gaat in deze paar regels om leven van de verwondering. Om met nieuwe en andere ogen de wereld bezien. Dat levert een hoopvol en troostrijk beeld op. De schrijver kijkt mee met een kind naar het grasveldje voor het huis, een weiland of een achtertuin. Hij ziet geen gras, maar een grote groene vlag, kleur van de hoop. Het zou ook de zakdoek kunnen zijn van Onze Lieve Heer, die Hij heeft laten vallen. Geen verfrommelde wit lapje, maar een inmense frisse, groene zakdoek. Met Gods eigen initialen in de hoek.

God is nooit verkouden, Hij kan zijn zakdoek dus gerust aan de wereld uitlenen. Een geparfumeerd geschenk waarop wij kunnen liggen en naar de wolken staren.
Met de ogen van een kind en met de geest van de verbeelding, de Geest die ons met Pinksteren gegeven wordt, kan alles in deze wereld een ander gezicht krijgen. Dat is mooi en hoopvol en daarmee een bron van troost. Als Jezus bij het afscheid van zijn vrienden hen de komst van de Trooster belooft, dan gaat het over deze Geest die alles vernieuwt. Die de woorden van leerlingen op het Pinksterfeest tot vurige taal maakt die direct tot het hart spreekt. Voor de wereld van de ratio misschien ‘dronkemanspraat’, maar voor de wereld van het hart pure poëzie.

Lees verder

De kraai en de nachtegaal. Verhaal bij de introductie van het nieuwe liedboek

NachtegaalDe nachtegaal was de beste zanger van het bos. Elke avond zong hij zijn lied in de avondschemering. Dan luisterden de andere dieren vol bewondering naar de hoge trillers, de vernuftige wendingen in de melodie en voelden zij zich ontroerd. Als de nachtegaal zong, dan ging het over verre vertes en oude liefdes en meer dingen die je wel kunt voelen maar slecht kunt benoemen.

Maar op een avond bleef het stil. Je hoorde alleen het suizen van de avondwind in de bomen. Het klonk somber en leeg.

De kraai, al jaren buurman van de nachtegaal en zelf geen geweldige zanger maar daarom niet minder vriendelijk, ging een kijkje nemen. Hij trof de nachtegaal aan in zijn keuken. Daar zat hij, op een krukje, en keek treurig uit het raam.

‘Wat scheelt eraan?’ vroeg buurman kraai. ‘Waarom zingt u vanavond niet?’ De nachtegaal haalde zijn vleugels op. ‘Ach’ zei hij, ‘het is altijd het oude liedje’.

‘Aha’, zei buurman kraai, die het niet helemaal begreep, maar het wel probeerde. Want ‘aha’ is meestal een goed ding om te zeggen.

‘Dag in dag uit zing ik mijn lied’ zei de nachtegaal, ‘maar waarom eigenlijk? Gaat de maan er mooier van stralen? Gaan de bloemen er mooier van bloeien? Wordt het gras daardoor groener?

‘Tja’, zei de kraai, die geen antwoord wist op al deze vragen, maar dat wel zou willen. Want ‘tja’ is ook vaak een goed ding om te zeggen.

‘Elke dag hetzelfde lied,’ herhaalde de nachtegaal ‘maar beter is de wereld er niet door geworden.’

‘O’, zei buurman kraai, die langzaam maar zeker het gevoel kreeg dat zijn antwoorden uitgeput raakte.

‘Vanavond dacht ik opeens: Waarom zou ik nog zingen?’ ging de nachtegaal verder. ‘En ik had geen antwoord’.

De buurman zweeg. Het was stil in het keukentje van de nachtegaal. Buiten rumoerde de wind. Ergens kraakte een tak.

De kraai dacht na over het oude liedje van de nachtegaal. Hij dacht ook aan zijn eigen schorre stem. Wat was er eigenlijk mis met het lied van de nachtegaal? Hij had er altijd erg van genoten, al kreeg hij er soms wat heimwee van. Maar dat was een prettig soort heimwee.

Net toen het leek of de stilte een derde aanwezige in het keukentje werd, schraapte de kraai zijn schorre keel. ‘Hm’ begon hij. Want zo begint men vaak als men wat belangrijks wil zeggen. ‘Misschien is het tijd voor een nieuw lied?’

‘Een nieuw lied?’ vroeg de nachtegaal, terwijl hij zijn hoofd naar de kraai draaide. ‘Ja’ zei de kraai. ‘Een nieuw lied. Niet omdat het oude niet goed zou zijn. Maar voor de verandering.’

De nachtegaal zweeg. Buurman kraai, die het terechte gevoel had dat hij genoeg gezegd had, zweeg ook weer. Maar nu voelde de stilte anders.

De wind ging net liggen toen de nachtegaal opeens zijn snavel opende. Er kwam een hele serie onverwachte tonen uit. Ze buitelden over elkaar, omhoog en omlaag, naar links en naar rechts. Het leek over prinsen en prinsessen te gaan. En over diepe wateren. Een heel ander lied dan voorheen. Maar ergens ook hetzelfde.

‘Mooi’ zei de kraai met schorre stem. Maar de nachtegaal hoorde hem niet. Hij zong een nieuw lied.

De weg van de hoop

Een jaar geleden stierf Václav Havel (5 oktober 1936 – 18 december 2011). Eén van zijn meest bekende teksten was die over de hoop.

De weg van de hoop
Diep in onszelf dragen we hoop:
als dat niet het geval is,
is er geen hoop.Hoop is de kwaliteit van de ziel
en hangt af
van wat er in de wereld gebeurt.

Hoop is niet te voorspellen of vooruit te zien.
Het is een gerichtheid van de geest,
een gerichtheid van het hart,
voorbij de horizon verankerd.

Hoop
in deze diepe krachtige betekenis
is niet het zelfde als vreugde
omdat alles goed gaat
of bereidheid je in te zetten
voor wat succes heeft.

Hoop is ergens voor werken
omdat het goed is,
niet alleen omdat het kans van slagen heeft.

Hoop is niet hetzelfde als optimisme
evenmin overtuiging
dat iets goed zal aflopen.
Wel de zekerheid dat iets zinvol is
afgezien van de afloop,
het resultaat.

Psalm 136

Volgende week zondag, op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, gedenken we weer degenen die gestorven zijn. Dit gedicht voor kinderen schreef ik een paar jaar geleden op de wijs van Annie Schmidt’s liedje ‘M’n opa’. Het refrein heb ik overgeslagen; dat moet u maar in gedachten meehummen.

Elke zondagmiddag kwam mijn opa op bezoek
en moest ik met hem psalmen zingen uit zijn oude boek
dan ging het weer van Looft den Heer en Goedertierenheid
en dat de Heer der hemelen Zijn gunst alom verspreidt.

Kwam hij op de brommer aan, dan hoorde je meteen
het ‘altoos’ en het ‘gadeloos’ door het geknetter heen
dan ging het weer van Looft den Heer en Goedertierenheid
en God die op de wateren de aard’ heeft uitgebreid.

Speelde er een vriend bij mij, dan schaamde ik me rot,
als opa weer eens luidkeels zat te galmen over God
dan ging het weer van Looft den Heer en Goedertierenheid
en hoe de Heere Israel Zijn volk had uitgeleid.

Als opa ‘s avonds afscheid nam, dan kneep hij in mijn wang
en humde nog van ‘eer’ en ‘dank’ aan ‘t einde van de gang
dan ging het weer van Looft den Heer en Goedertierenheid
en raakte ik de melodie de hele week niet kwijt.

Maar vorig jaar november werd mijn opa ernstig ziek
Hij lag toen nachtenlang aan een infuus in een kliniek
het ging niet meer van Looft den Heer en Goedertierenheid
noch van de Hand des Heeren die de maan en sterren leidt.

Na zeven dagen belden ze mijn vader op het werk
dat er nog gebeden was door iemand van de kerk
een laatste keer van Looft den Heer en Goedertierenheid
dat opa toen gefluisterd had: dan is het thans mijn tijd…

Nu fiets ik elke zondagmiddag even naar zijn graf
en veeg er, als ‘t nodig is, de bladeren vanaf
dan lees ik weer van Looft den Heer en Goedertierenheid
en hoor ik opa psalmen zingen in de eeuwigheid.

Tekst: Christien Crouwel
Gepubliceerd: oecumenisch maandblad Open Deur, november 2007